
Na een aantal uren gelopen te hebben in het bos van Caures en alle indrukken die we daar op hebben gedaan zijn de oude mannen toch aardig aan het eind van hun Latijn en krijgen toch wel trek in wat nattigheid. Het is inmiddels al 2uur in de middag en we zijn nu al zo’n 31 uur op de been. De man met de hamer haalt al lekker uit. We besluiten om richting Romagne te gaan en nog even langs JP van het museum te rijden. Daar aan gekomen worden we hartelijk ontvangen en er ontstaat een gezellig gesprek. De vader van JP is ook op bezoek,samen gaan we gezellig op de achterplaats zitten in het zonnetje uiteraard met de nodige nattigheid. De vader verteld honderd uit over zijn zoon en zijn belevenissen, er volgt een gezellig uur. Ook lopen we nog even door het museum, alwaar JP weer een gepassioneerde uitleg geeft over dat gene hij weer gevonden heeft. Na een tijdje besluiten we richting La Gabrielle te gaan om even een uiltje te knappen voor we aan tafel gaan bij Beatrice. Dag 1 zat er voor ons op.
Op 19 mei 1915, om 10 uur ’s avonds, waren de Franse troepen ter plekke. Overal explodeerden granaten; raketten verlichtten de lucht. Iedereen was in de hoogste staat van paraatheid. Enorme voorbereidingen werden gemaakt. De aanval zou op 20 mei om 2 uur beginnen.
Aan het hoofd van zijn mannen, bezette Commandant d’André snel één loopgraaf, daarna twee, daarna drie, en toen een vierde. Ondanks zware verliezen, bereikte hij het noorden van het Bois d’Ailly, waar een nagenoeg lege loopgraaf werd aangetroffen. Dit was de vijfde.
“Ik ben er gekomen en ik ben van plan om te blijven!”, zei Commandant d’André. Hij zond boodschappers naar achteren. Jammer genoeg, bereikte geen van allen hun bestemming; ze werden allemaal gedood of gevangen genomen.
De Duitsers maakte een barrage van vuur achter de mannen van Commandant d’André, zodat ze afgesneden werden van de andere Franse troepen, die hun kameraden niet konden komen helpen omdat ze hun exacte posities niet wisten. Nieuwe Duitse troepen, eenheden van de Pruisische Wacht, werden het veld ingestuurd.
De Duitsers wilden onderhandelen. Dit werd systematisch geweigerd door de Fransen.
Op de 21ste, ging de slag door. In de avond, lanceerde de Pruisische Wacht nog een bloedige aanval die werd tegengehouden. De lichamen van de doden en de stervenden lagen op hopen.
Op de 22ste, was er nog een Duitse aanval, die werd tegengehouden door slechts het vuur van geweren, omdat er geen granaten meer over waren.
De havermoutzakken waren al lang geleegd van hun weinige voorraden die zij op de 19e nog bevatten. De waterflessen, uit welke de manschappen dronken voordat ze met de eerste aanval begonnen, waren leeg sinds de 20ste. De mannen hadden honger, en nog belangrijker, dorst. De hitte was verstikkend. De aarde vloog uiteen in wolken door de granaten die neerkwamen. Dorst werd het ergste lijden van alles. Het was onmogelijk om de lippen op te frissen.
En ondertussen ging de slag door. Mannen doodden andere mannen, mannen hadden zwaar te lijden, mannen stierven.
Op 22 mei om 4 uur, hadden de Franse soldaten al drie dagen geen eten en geen drinken meer gehad, en ook geen contact met hun kameraden.
De Duitsers bleven doorgaan met zware aanvallen.
Uiteindelijk lukte het ze om de Tranchée de la Soif in te nemen.
Commandant d’André was de laatste van de weinig overgebleven manschappen van de 7de compagnie van het 172ste Régiment d’infanterie, om de loopgraaf te verlaten.
“Het Bois d’Ailly was wit in het maanlicht. De dikke bossen, geveld door bijlen en verscheurd door granaten, gooiden dikke zwarte pluimen op in de romantische lucht. We sliepen buiten, in de wind.”
“Mijn compagnie moest een loopgraaf innemen. Ze vertelden ons dat die 70 meter van ons verwijderd was; dit bleek meer dan 200 meter te zijn. We moesten eigenlijk kruipen, in stilte; maar iedereen stond op en schreeuwde. Mijn halve sectie behield de linker flank. Ik had zes man bij me toen ik de Duitse prikkeldraadversperringen bereikte, het was toen tussen 8 en 9 uur in de avond. Ik stapte over hun lijken tegen 4 uur in de ochtend. De eerste die ik zag had geen broek aan. Hij was in tweeën gescheurd, alsof het door een slagersmes was gedaan. De tweede hing in een bosje. De anderen waren in de drek van modder en bloed gerold. Vervloekt is degene die niet de oorlog vervloekt!”
Van Tranchee de la Soif rijden we richting Apremont en komen we langs de Duitse begraafplaats St Mihiel waar 6046 Duitse soldaten hun laatste rust plaats hebben gevonden. In de rechter hoek achter op de begraafplaats staat een verzameling van grafstenen deze stenen komen uit het bos D’ailly van veldgraven, later hebben ze deze soldaten bijgeplaatst op de begraafplaats en de stenen een plaats gegeven achter op deze begraafplaats.
We volgen de weg verder richting Apremont en komen dan langs L’Hopital Allemand. Hier werden de gewonde soldaten naar toe gebracht die het meest hulp nodig hadden, het was een gevaarlijke bezigheid voor de hospiks die af en aan renden met brancards. De gewonden hadden een redelijk veilige schuilplaats in deze bunker. De bunker is 35 meter lang en vier meter breed en heeft drie ruimten. Na behandeling werden de soldaten die vervoerd konden worden per smalspoor, wagentjes die getrokken werden door paarden om het zo stil mogelijk te doen afgevoerd naar een ambulance station in Woinville. Dat was een verzamelpunt, vandaar werden de gewonden per ambulance naar Vigneulles Les Hattonchatel gebracht. Van daar uit werden de meest fitte soldaten per hospitaaltrein naar Metz en Duitslaand vervoerd.
Na ons bezoek aan Hopital Allemand krijgen we trek in ons ingekochte pain du stok, dus terug naar de auto om aan te vallen op de koelbox. Tijdens het eten kijken we nog even op de kaart en zien dat achter de Duitse begraafplaats een bunker van de kroonprins moet liggen. We besluiten om die te zoeken. Maar hoe we ook zoeken en kijken we kunnen die bunker niet vinden, het bos is enorm begroeid zodat zoeken bijna geen zin heeft. Maar na een tijdje rondgereden te hebben op bospaadjes vinden we totaal iets anders en net zo interessant namelijk het graf van Major Otto Staubwasser. Wat vreemd is dat Otto vermeld staat op de ere ranglijst als haubtmann op de tijd van zijn dood op 26 september 1914 in het bos van Jurat bij Apremont. Vreemder was zijn promotie op 5 november 1914 tot Major. Naar men zegt heeft hij een aantal boeken geschreven Das Königlich Bayerische . Infanterie-Regiment Kronprinz – Erinnerungsblätter. Of dit verhaal van Otto Staubwasser waar is weet ik niet er worden verschillende dingen over hem geschreven. Als jullie mij meer over Otto Staubwasser kunnen vertellen mail het mij dan!
We verlaten Otto Staubwasser en rijden richting But de Montsec. Tijdens het rijden zien we hem in de verte al opdoemen, dus missen kan je hem niet. Montsec is een van de elf monumenten die Amerika in Europa heeft gebouwd ter nagedachtenis aan al die Amerikanen die betrokken waren bij deze slag. Er waren zo’n 550 000 Amerikanen betrokken tijdens het offensief op 12-16 September 1918 in de St-Mihiel.
We verlaten But de Montsec en gaan in de richting van fort Liouville. Twee kilometer ten zuiden van Apremont liggen de overblijfselen van fort de Liouville, dat in de septemberdagen van 1914 een cruciale rol speelde in het afweren van de Duitse aanval. Vrijwilligers zorgen voor het beheer en er is op regelmatige tijden toegang tot fort de Liouville. Informatie en bezoeken: 00 33 (0)3 29 90 70 84 of x-33-(0)3 29 90 40 68. Bij aankomst was het fort gesloten wel hebben we om het fort gelopen.
Vanaf het fort Liouville gaan we terug naar La Gabrielle. We hadden met Beatrice afgesproken dat we zouden gaan barbecueën. Eenmaal terug bij La Gabrielle kwam Beatrice al lichtelijk in paniek naar ons toe, Het gaat regenen zei ze, en inderdaad de eerste druppels kwamen al naar beneden. Geen paniek riepen wij in koor, wij gaan dat wel regelen. Toen zei ze ja maar het moet een barbecue voor 20 man worden. We keken elkaar aan en begonnen te lachen, laat ons dat varkentje maar wassen. Ze keek ons dankbaar aan en wij gingen aan de slag. Beatrice had genoeg proviand in huis gehaald dus dat was geen probleem. Ondertussen ging het toch echt doorregenen, dus de barbecue onder een parasol gezet. Het vuur was geen probleem laat dat maar aan de pyromanen over. Binnen een uur hadden we een lekker fikkie. Intussen was het weer droog geworden dus de tafels konden buiten gedekt worden. En zo werd het toch nog een hele gezellige avond, en een mooie afsluiting van dag twee voor ons.
Dag 3
De dag begint mooi, het weer zit ons mee. Het is vandaag 25 mei dus memorial day!! Maar ook onze laatste dag. We pakken alles in de auto en gaan eerst ontbijten bij Beatrice. Ze gooit de thermosfles vol koffie voor deze dag. Dan is het moment daar om afscheid te nemen, Beatrice zwaait ons uit. We gaan op weg naar de Amerikaanse begraafplaats in Romagne, daar is de voorbereiding al in volle gang. De begraafplaats ziet er weer schitterend uit geen grassprietje verkeerd. We blijven niet op de ceremonie wachten we hebben dit vorig jaar mee mogen maken, we hebben nog andere plannen voor vandaag.
Fort Belleville werd gebouwd van 1875 tot 1879. Het behoort tot de zogenaamde ‘Redoutes de Panique’, de eerste linie forten die om Verdun zijn aangelegd. De bemanning bedroeg in 1914: 104 man, in 1916: 61 man, en in 1917: 80 man. Het bouwen kostte 450.000 Franc. Het was bewapend met 4 x 9,0 cm kanonnen, 4 x 9,0 cm kanonnen met afuit, 4 x 4 cm Hotchkiss revolverkanonnen en 4 machinegeweren. Er waren geen grote moderniseringen.
Na het uitbreken van de oorlog in 1914 heeft het fort gediend als onderkomen voor de infanterie. Daarnaast was het ook een depot en hospitaal. Het fort is na het begin van de Slag bij Verdun regelmatig beschoten. Na het bevel van 4 maart 1916 behoorde het fort tot ‘Groupement Guillaumant’, waarmee het een fort van de 2e categorie werd. De commandant was kapitein Laurens, van het 20ste regiment. Midden 1916 begon men met het aanleggen van tunnelsystemen onder het fort. Daarbij werd een externe uitgang gebouwd. Bij de bouw van de tunnels kreeg men op den duur problemen met het grondwater.
Op 15 juni 1940 werd het fort vroeg in de middag door eenheden van Infanterie-Regiment 194 ingenomen. Hierbij is geen gevecht geweest. Generaal Weisenberger stond op 15 juni om 17 uur op het fort en keek zo over de stad Verdun.
http://www.fortiff.be/iff/index.php?page=c162
http://www.douaumont.net/bellevil.htm
Na het bezoek aan fort Belleville gaan we nog even Verdun in. Het is Zondag dus de meeste winkels zijn gesloten op een paar souvenirwinkels na. Na een klein uur rond gebanjerd te hebben besluiten we om via Flabas terug naar huis te rijden.
Op 21 december 1916 vormt het bos tot aan de frontlijn bij het zuidelijker gelegen dorpje, Samogneux, langs de Maas, een onderdeel van de Duitse linies. In diezelfde periode houdt het Franse “Grand Quartier General” Duitse krijgsgevangenen vast in kampen, die binnen een zone van 30 km van de frontlijn liggen, dus onder vuurbereik van kanonnen. Om hier een einde aan te maken stelt de “Oberste Heeres Leitung” op 21 december een ultimatum op. Via de dan nog neutrale Amerikaanse ambassadeur eist de “Oberste Heeres Leitung”, dat het “Grand Quartier General” de krijgsgevangenenkampen terugtrekt naar een gebied, dat verder achter het slagveld ligt. In afwachting van de tegemoetkoming aan deze eis, richt de OHL “Vergeltungslager”, “represaille kampen”, op. Deze snel geïmproviseerde kampen liggen vlak achter de frontlijn.
We verlaten het camp en rijden richting Brandeville. In Brandeville aangekomen zien we een kleine gedenkplaats die de slag bij Brandeville gedenkt. Brandeville Cimitére Militaire, op deze kleine begraafplaats rusten 516 Franse militairen, 10 van hen hebben een eigen graf met een kruis. Van hier rijden we richting Stenay en zo naar huis. Het weekend zat er weer op. In ieder geval een hoop gezien om op terug te kijken.