‘De granaten vielen op Delville Wood,(……) en door de ontploffingen werden de doden die er lagen in de lucht geslingerd (…..) Het was fascinerend om te zien hoe ze boven de boomstronken uitvlogen, ronddraaiden als in een vertraagde film en weer neerkwamen(….) zo vreemd om op een warme zomerdag daarna te liggen kijken, naar lijken die op en neer gaan.’
Delville Wood bleek echter een dodelijke val te zijn voor de geallieerde troepen. De Duitsers zaten verschanst tussen het dichte kreupelhout en waren vaak vrijwel onzichtbaar. Door verborgen prikkeldraad en door het kreupelhout konden de oprukkende manschappen zich slechts moeizaam verplaatsen. Scherpschutters zaten overal en er was nog een probleem. In de bossen die werden bestookt, vlogen door de explosies ook houtsplinters en zwaardere blokken hout in het rond. Dat leidde tot vreselijke en vaak nauwelijks te behandelen wonden. Ondanks de bittere gevechten en het hoge dodental slaagden de Zuid-Afrikanen er toch in om het Duivelsbos te houden tot ze afgelost werden door de 76e brigade.
De verliezen waren enorm: toen de South African Brigade de 15e juli ten strijde trok, telde men 121 officieren en 3.032 soldaten. Bij een nieuwe telling op 21 juli waren deze aantallen gereduceerd tot slechts 29 officieren en 751 soldaten.

In Delville Wood kunnen bezoekers eveneens nog “The Last Tree” bewonderen die de beruchte veldslag overleefde. Heelhuids kan ik niet zeggen, want de boom is werkelijk door spietst met stukken munitie en metaal afkomstig van de artilleriestukken.
“Het Duivelsbos”, vol fiere groene wachters, wiegend in de wind, wakend over de gevallenen.
“…Delville Wood was gereduceerd tot een verbrijzelde woestenij van boomresten, verkoolde en brandende stronken en kraters gevuld met modder, bloed en lijken. Overal lagen lijken. Op sommige plaatsen lagen ze zelfs tot vier hoog opeengestapeld. Maar het ergste was het constante gekreun en gekerm van de gewonden en stervenden. Het klonk als vee op een voorjaarsbeurs.”